Zuster Noteboom

img213315362

Een paar weken geleden arriveerde er weer een kaartje van de familie Meijer-Noteboom. Altijd goed voor een vertederde glimlach. Ik ken de familie niet goed. Meneer Meijer heb ik maar één keer gezien, en zijn vrouw maar twee keer. Toch ken ik haar al zolang ik leef.

Op één van de eerste bladzijden van mijn baby-album staat een foto. Ik ben daar één dag oud, en word gedragen door een jonge vrouw in verpleegstersuniform.  “Dat is vast mijn moeder niet,” heeft mijn eigen moeder daar onder geschreven, met als toevoeging: “Nee, het is zuster Noteboom”.

Eind december 1988 trad ik op in theater-restaurant Goldmund in Den Haag. Ter inleiding van een liedje vertelde ik het publiek dat ik ben geboren in Scheveningen, sterker nog: in de Scheveningse bosjes. Daar stond vroeger een kraamkliniek, genaamd de Emmakliniek. Een lieve grijze mevrouw ergens vooraan zei opeens met een heldere stem: “Volgens mij was ik erbij toen jij geboren werd..!”

Het overige publiek reageerde net zo verbaasd als ik. Ik bladerde in mijn hoofd door mijn baby-album, en vroeg aan de mevrouw: “Bent u dan zuster Noteboom?” “Ja, dat ben ik.”

Ik viel even stil, terwijl het publiek uitbarstte in applaus. “Dan is dit lied helemaal voor u alleen.” Op de rand van het podium zong ik het lied over Scheveningen. De laatste regel “Het ruisen van die branding draag ik altijd met me mee” veranderde ik in “en het beeld van zuster Noteboom draag ik altijd met me mee…”. Zelden heb ik zo’n mooie, tintelende sfeer meegemaakt in een zaal.

Na het lied ging ik naar haar toe en omhelsden we elkaar. Haar man maakte deze foto van ons. img213321142

Daarna heb ik zuster Noteboom nooit meer gezien. Maar nog altijd sturen we elkaar kaartjes. Altijd goed voor een glimlach, een knipoog. Een wederzijds weten: ik was erbij, toen.

 

 

Advertenties

Goed gelovig

Schermafbeelding 2014-05-27 om 11.44.50

Geloof kan bergen verzetten. En meer nog: als gelovig mens kun je overtuigd zijn van dingen die in werkelijkheid heel anders zijn.

Al in mijn vroege kinderjaren werd ik gegrepen door de magie van Sinterklaas. Nog meer dan met de kado’s hield ik mij als jongetje van 4, 5 jaar bezig met de vragen rond het hoe en waarom. Hoe kan Sinterklaas op televisie aankomen, en een half uur later al in onze stad zijn? Hoe kan het dat de schoentjes gevuld worden in onze flat op driehoog, terwijl er alleen een smalle luchtkoker is? Maar ik stelde die vragen nooit vanuit argwaan. Het magische van het hele fenomeen, dat fascineerde mij mateloos.

Mijn ouders pareerden alle moeilijke vragen steevast met: “Dat is het Grote Geheim van Sinterklaas, en dat vertellen we je als je zes jaar bent.” Dat voelde als een naderend inwijdingsritueel in het Geheim van Grote Mensen. Wow! Mijn zesde verjaardag kon niet vroeg genoeg komen.

Intussen geloofde ik heilig in de goedheiligman. De middag dat  mijn moeder met een zwarte handschoen opeens pepernoten in mijn kamer naar binnen gooide en daarna met de voordeur sloeg, wist ik 100 procent zeker dat ik piet had zien strooien. En niet alleen een hand, nee, ik had hem helemaal gezien!

Ik ben een keer thuisgekomen met het verhaal: de baard van Sinterklaas leek wel van touw. Maar toch, hij was het echt.

Ik ben midden in de zomer jarig. En op mijn zesde verjaardag, ergens op een camping in Denemarken, was één van de eerste dingen die ik zei: “En nu mag ik het weten!”

In tegenstelling tot veel kinderen die het demasqué beleven was dat moment geen deceptie voor mij maar een openbaring! Mijn ouders benadrukten hoe leuk het is om het geloof van jongere kinderen te voeden met fantasie, verkleedpartijen… Sinterklaas bleek één groot toneelstuk! En als ik érgens gek op was…

Zes maanden later liep ik in mijn eerste pietenpak over straat, zwaaiend naar de kinderen. Geweldig! Het snoep dat ik op 11 november met Sint Maarten inzamelde spaarde ik op om een paar weken later te kunnen uitdelen.

Als kleine hulppiet genoot ik van de magie van het geloof. Ik ging kado’s uitdelen bij mijn buurkinderen. Ze praatten, zongen en dansten met me, en zagen een echte piet in mij. Hun heilige overtuiging blokkeerde iedere andere mogelijkheid.

Jaren later kreeg ik een nog sterkere bevestiging van die geloofskracht. In een televisieuitzending begeleidde ik de enige echte Sint als stafpiet. In de studio zaten alle kinderen van het TROS-personeel, waaronder de mijne. Mijn dochter, vier jaar oud, kwam naar voren om een lied te zingen voor Sinterklaas. Ik hield als piet haar microfoon vast. Ze keek me recht in mijn ogen. Maar ze herkende me niet.

Is het alleen geloof? Of gaat het dieper?

De tekst over geloof dat bergen verzet komt uit de beroemde brief van Paulus aan de Korintiërs. Verder lezend staat daar: “Al had ik het volmaakte geloof dat bergen verzet, als ik geen liefde had was ik niks.”

Liefde, daar komt het uiteindelijk altijd op neer. En hoop. Ongetwijfeld.

 

Oudejaarsavond in de zomer

images

31 december en 1 januari zijn bijzondere dagen. Beladen dagen ook, vol emoties en loodzware symboliek. Onverbiddelijk einde en een fris begin, vermoeidheid en nieuwe energie, vergankelijkheid versus hoop. Ik ken meerdere mensen die daar ieder jaar enorm mee worstelen.

Halverwege de jaren tachtig vierde ik met een groep vrienden oudejaarsavond. We keken de klok naar twaalf uur en deelden het bijna plechtige moment. Het jaar tikte weg. Totdat één van ons opeens opmerkte: “Wat een onzin eigenlijk. Het is gewoon een dinsdag, morgen is het woensdag. Maar omdat we dat met z’n allen hebben afgesproken gaan we hier om middernacht een beetje snotterend naar de klok zitten kijken..”

Ineens voelden we allemaal hoe belachelijk dat eigenlijk was. “Nou, dan spreken we toch af dat we dat midden in de zomer nog eens doen?”  opperde een ander. “Eens kijken of het dan anders voelt.”

Zo gezegd zo gedaan. We besloten op midzomeravond, 21 juni, opnieuw ‘oudejaarsavond’ te vieren. Met alles erop en eraan: er werden oliebollen gebakken, zalmsalades gemaakt, iedereen had zich feestelijk aangekleed. We hadden zelfs wat vuurwerk bewaard. En tegen twaalf uur gingen we met een fles champagne in de aanslag wachten tot de klok middernacht zou slaan.

Het grappige was: het voelde net zo spannend als op 31 december. De klok die tikt, de tijd die onherroepelijk verstrijkt… De vertrouwde emoties waren tastbaar. En toen was het twaalf uur: hoera, een nieuw begin! De champagne knalde en we vielen elkaar in de armen: “Gelukkig nieuw halfjaar!”  Buiten staken we een paar rotjes af en schoten we één vuurpijl de warme zomerlucht in. En de volgende ochtend werden we allemaal wakker met een kater.

Iedere dag is zo bijzonder als je ‘m zelf wilt maken, uiteindelijk.

 

Volstaan met voorspel

voetbaldoel-1801

Onder de titel ‘Aan de vrouwtjes’ dichtte Ivo de Wijs eens: “Toe bespaar mij het gehaspel, van het voorspel en het naspel.” Het laatste woord dient als rijmend op ‘gehaspel’ te worden uitgesproken.

Grappig. Maar inhoudelijk kan ik er niets mee. Want voorspel is iets kostbaars, iets om te koesteren.

Voorspel is genieten van de verwachting. Je intens kunnen verheugen op wat komt. Je rooskleurige voorstellingen maken van de geweldige ervaring die aanstaande is. De eerste zetten op het schaakbord doen in de wetenschap dat er een glorieus vervolg kan komen. Heerlijk toch?

Want in het voorspel valt niks tegen. Er is geen desillusie, geen bittere teleurstelling, geen koude douche of kermis waar je van thuis komt, geen pijnlijke ontnuchtering. Het voorspel is de grenzeloze fantasie, de onbedorven jeugd, de onverstoorde horizon. Daar mag je nooit lichtzinnig aan voorbijgaan.

Een mooi voorspel is van zichzelf soms al zo’n hoogtepunt, dat het nauwelijks door hét hoogtepunt wordt overtroffen. Iemand die risico’s in het leven het liefst vermijdt, zal graag volstaan met alleen het voorspel. Die koestert de gedachte: ‘zo heerlijk zou het kunnen zijn’. Die flirt, maar zet nooit door. Zo iemand hoeft dus nooit de pijn te voelen van: ‘ach, het leek eerst allemaal zo mooi’.

Toch gaan echte levenskunstenaars de risico’s natuurlijk niet uit de weg. Zij kunnen omgaan met een tegenvaller door te wijzen op het plezier van het voorspel. Het gezin van een vriendje verheugde zich eens maandenlang op een grote reis. Door omstandigheden kon die reis op het laatste moment niet doorgaan.  “Niet erg,” zei de moeder van het vriendje, “we hebben genóten van de voorpret.”

Soms zie je mensen tegen wie je zou willen zeggen: volsta alsjeblieft met het voorspel! Jury’s van talentenjachten zien dat soort mensen regelmatig voor hun tafel: overtuigd van het feit dat ze de top gaan halen, maar gespeend van ieder talent. Bij de harde confrontatie met de werkelijkheid vervalt het plezier in wat ze deden, het plezier dat daarvoor zo groot en zo intens was. De enthousiasmerende droom is voorgoed verstoord.

Zo schreef ik ooit een lied over een reserve-keeper die in een beslissende wedstrijd eindelijk mag invallen, en prompt alle ballen door laat. Hij verliest hopeloos, meer dan alleen die ene wedstrijd. Laatste regels van dat lied:

“Hetgeen waarnaar je streeft is maar zelden wat het lijkt.

Soms kun je beter hopen dat je nooit het doel bereikt.”

Verandering is leven

bussum

Na zeventien verhuizingen vind ik het veranderen van woonplek nog steeds een vrolijke bezigheid. Iedere nieuwe omgeving is hoe dan ook verfrissend. Niets leuker dan een onbekende buurt ontdekken: waar zijn de winkels, wat is de handigste doorsteek, welke recreatiemogelijkheden zijn er nabij? Dagelijks nieuwe ontdekkingen en verrassingen!

Verhuizen is voor velen ook een stap vooruit in luxe: een groter huis, eindelijk een bad, benedenwoning, een grote(re) tuin.. Je hebt als mens toch steeds meer ruimte nodig om alles wat je in je leven verzamelt een plaats te kunnen geven.

Maar de meest verheugende verhuizingen in mijn leven waren de keren waarbij ik in woonruimte inleverde, om in leefruimte te winnen.

In mijn puberjaren woonde ik met mijn ouders in een riante oude pastorie op het Groninger platteland. Alleen de gang was al 16 meter lang en 2 meter breed. Toch kon dat geluk niet op tegen het keizerlijke gevoel waarmee ik op mijn 20e -samen met mijn vriendin- mijn eerste ‘eigen’ woning betrok, de helft van een piepklein vakantiehuisje naast het vliegveld van Eelde.

Enkele jaren later woonde ik met haar temidden van brave gezinnetjes in een riante rijtjeswoning in een Groningse nieuwbouwwijk. Ruim, luxe en modern. We hadden alles, in materiële zin. Maar het geluk bleek eindig, en de relatie dus ook. Ik bleef nog een tijdje alleen in dat grote huis wonen, maar had het gevoel dat ik tegen de muren opliep. Ik nam een grote stap, zegde mijn huur en mijn baan op, en ging op zoek naar nieuwe inspiratie. Concreet: op zoek naar werk en woonruimte in mijn geboortestad Den Haag. Dat laatste vond ik in de Haagse Schilderswijk: een kleine etage aan het Oranjeplein, midden tussen hoerenstraten en –laten we maar zeggen- schilderachtige types. Het contrast kon niet groter zijn. Ik vond het schitterend, en leefde helemaal op!

In Den Haag ontmoette ik een vrouw met wie ik na verloop van tijd  trouwde.  We deelden een paar jaar haar riante Haagse bovenwoning, voordat we verhuisden naar een fijne eengezinswoning in het Gooi. Ook voor de twee kinderen die we inmiddels hadden was daar alle ruimte. Dat gold niet voor mijn eigen spulletjes: die lagen opgeslagen op zolder. Maar dat had meer te maken met de uitgesproken smaak van mijn echtgenote dan met de beschikbare vierkante meters.

Na zeven benauwde jaren huwelijk was het tijd voor een nieuwe grote stap: om mezelf terug te vinden moest ik de echtelijke woning in Huizen verlaten. Ik betrok een eenpersoonsappartementje in Bussum, nauwelijks meer dan een kleine kamer. Ik haalde mijn dozen van de zolder in Huizen en nam ze mee. Toen ik ze in Bussum opende had ik het gevoel dat ik mijn leven weer uitpakte. En met wat creativiteit bleek zelfs mijn piano nog best (midden) in de kamer te passen. In die krap bemeten woonruimte vond ik nieuw uitzicht, en het levensgeluk meer dan terug.

Als je ergens niet meer met hart en ziel woont is het de hoogste tijd om te verhuizen. Of zoals mijn moeder schreef op een kaartje na één van mijn verhuizingen: “Stilstand is achteruitgang, verandering is leven. Daarom moeten de tentpinnen niet te vast zitten…”

1 april!

a34ff54c-eeba-432f-aead-37f3b26b9357_stratenmaker_overzicht_nederland

De juf van mijn 5-jarige zoon gaf alle ouders vanmorgen een brief mee: op last van minister Klink moeten basisscholen in heel Nederland in verband met de veiligheid de (veter-) strikdiploma’s van alle leerlingen overleggen. Morgen allemaal de diploma’s meenemen, of alsnog binnen twee weken behalen! Er zat een indrukwekkend ogende brief van Klink himself bij.

Benieuwd hoeveel ouders daar morgen ingetrapt blijken te zijn!

Eén van de leukste aprilgrappen die ik ken speelde zich af in mijn Groningse studententijd. Twee medestudenten gingen naar een groep stratenmakers die op het Zuiderdiep met straatklinkers in de weer  waren. “Er komen straks politieagenten,” vertelden ze aan de verbaasde stratenmakers, “die jullie zullen willen bekeuren voor het openbreken van de weg. Maar trap er niet in: het is een aprilgrap. Het zijn geen echte agenten, maar gewoon verklede studenten.”

De stratenmakers bedankten hartelijk voor de tip.

Vervolgens gingen de studenten naar het politiebureau. “Sommige aprilgrappen van medestudenten gaan ons te ver”, meldden ze de dienstdoend agent. “Een paar van ons heeft zich als stratenmaker verkleed, en zijn bezig op het Zuiderdiep om de weg op te breken…” De agent was het met ze eens dat dat natuurlijk niet kon: “We sturen er wel even iemand op af.”

De bedenkers van deze geniale grap zijn hierna rustig op een terrasje in de buurt van de stratenmakers gaan zitten om te zien hoe zich een prachtige spraakverwarring ontrolde…

In de geest van ons gezin

420114401_5_camd

Ons gezin was een hecht gezin. Vader, moeder, dochter, zoon. Lang en gelukkig samen, en in nauw contact toen mijn zus en ik ieder onze eigen weg gingen. Alle verjaardagen en hoogtijdagen werden uitbundig gevierd met elkaar, met de trouwdag van onze ouders in augustus als jaarlijks eresaluut aan ons samenzijn.

Mijn vader overleed plotseling, in 2000, thuis in zijn stoel. Mijn moeder overleed, totaal ontredderd, een jaar later in een ziekenhuis. “Ik mag naar huis”, was het laatste wat ze tegen me zei door de telefoon. Pas toen ze overleden was begreep ik wat ze bedoelde. En mijn zus overleed in 2005, na een dappere, jarenlange maar uiteindelijk vergeefse strijd tegen borstkanker.

En zo was ik binnen vijf jaar opeens in mijn eentje het hele gezin, met alle herinneringen, plakboeken, diadozen en spullen die daarbij horen. Wennen doet dat nooit. Ik laat ze niet los, die drie mensen die zó bij me horen. Ze laten mij ook niet los. Ik voel hun aanwezigheid dagelijks. Maar wat is dat dan? Hun ‘spirit’ die inspireert? De herinnering die letterlijk levend blijft? Van alles wat ik meemaak, en zo graag met ze zou delen, weet ik eigenlijk precies wat ze er van zouden vinden, wat ze zouden zeggen. Ik hoor hun reacties in mijn hoofd. Maar zijn het hun stemmen? Of is het gewoon die van mij?

Oh, wat is de verleiding groot om naar zo’n spirituele bijeenkomst te gaan. Niet naar Char, daar geloof ik helemaal niet in. Maar Derek Ogilvie.. daaraan twijfel ik al minder. Zou ik ook eens..? Een goede vriendin van me had pas via zo’n medium contact met haar overleden vader gehad. Ze kwam er helemaal blij vandaan: “Hij heeft het zo goed daar, hij geniet enorm van zijn nieuwe leven!” En ze wist zeker dat haar vader aanwezig was geweest, gezien alle intieme details die het medium wist te vertellen over haar en de band met haar vader. Eindeloos fascinerend. En intrigerend.

Mijn vader was dominee. Hij twijfelde niet aan het hiernamaals, en aan de mogelijkheid om met geesten in contact te komen. “ Maar”, zei hij streng, “de geesten moet je met rust laten.” Tja… Mijn moeder was zeer spiritueel. Zij geloofde heilig in het bestaan van engelen. Niet als schimmen of geestverschijningen, maar in menselijke gedaantes. Ze wist zeker dat ze af en toe engelen was tegengekomen, op beslissende momenten in haar leven. “Tekenen van boven zijn er altijd”, zei ze, “ voor wie ze maar wil zien.” En mijn zus was biologe. Op de ochtend van haar overlijden spraken we nog over het leven na de dood. Daar geloofde ze niet in. Bijna dood-ervaringen? Getuigenissen van licht en intens vredige gevoelens van mensen die op het randje van de dood hadden gezweefd? Biologisch allemaal heel goed verklaarbaar, zei mijn zus nuchter. Toen ze twee uur later rustig overleed zag ik haar geest verdwijnen, het lichaam verlaten. Maar waarheen?

Gisteren was ik in Den Haag voor een interview. Na afloop had ik even tijd om langs Westduin te gaan, de begraafplaats vlakbij Kijkduin waar mijn ouders en mijn zus begraven liggen. Het was er verlaten. Er hing een mooie, serene rust. Ik begon met een borstel en wat water de steen schoon te maken, en verwijderde wat modder- en vogelvlekjes. En toen daalde er zomaar vanuit het niets een roodborstje neer. Hij ging op de rand van het graf zitten en keek me aan. Onderzoekend. Bijna alsof ‘ie me toeknikte. Daarna steeg hij weer op, fladderde om me heen, en ging weer zitten. Wel een minuut lang bleef het vogeltje me aankijken, voordat hij weer verdween. Ik hoorde mijn moeders stem: “Tekenen van boven zijn er altijd.” Ik heb het gezien. Het is goed.