Kaas

kaas-10-weken-met-schimmel

Kaas is vies.

En niet zo’n beetje vies, nee: kaas is echt Heel Vies.
Dat is geen kwestie van smaak, dat is gewoon zo.
Natuurlijk, er bestaan mensen die van kaas houden. Vrij veel zelfs. Die zetten met genoegen hun tanden in dat gelige, melige, onaangenaam scherpe, niet weg te krijgen stinkende afvalproduct. Dat geeft niet, ieder zijn voorkeur. Het bord Brintapap (hoe dikker hoe beter) dat ik dagelijks verorber wil ook niet iedereen ‘s ochtends voor zijn neus vinden. Maar er zijn grenzen.

Wel eens gezien hoe kaas gemaakt wordt? Van het zure bovenlaagje van melk wordt een wittige schimmel afgeschept en samengeperst. Als de weke substantie stevig genoeg is komt het uit de –vaak ronde- vorm, en mag het enige tijd weken in een bad vol pekel (datzelfde agressieve spul waarmee ze in de winter het ijs van de wegen bijten). Vervolgens krijgt de kaas een etiket, en mag het weken, maanden, soms jaren in een ruftend pakhuis liggen rotten. Echte viespeuken zweren bij de smaak van Oud Belegen, oftewel door-en-door bedorven. Met het angstzweet er vaak nog op.

Vooral Franse varianten kunnen nadrukkelijk naar poep ruiken. Of naar de bruinzwarte smurrie die je onder je teennagels aantreft, niet voor niks tenenkaas genoemd. Dat mensen bereid zijn dat vrijwillig en zonder enige noodzaak in hun mond te stoppen en door te slikken, voor mij is het net zo verwonderlijk als mensen die om Hans Teeuwen kunnen lachen. Vermoedelijk allemaal kaaseters.

Mijn ouders hebben hun best gedaan mij aan de kaas te krijgen. Tevergeefs. Ik heb lang volgehouden dat ik alleen kaas met grote gaten lustte. Ik bedoelde: alleen de gaten. Maar toch moest ik in mijn jeugd lange tijd iedere dag een stukje kaas eten. Met heel veel melk spoelde ik het weg, in angstige afwachting van het walgelijke moment dat het zure brokje kaas weer de omgekeerde weg zou afleggen, op jacht naar mijn smaakpapillen. Het kan me nòg koude rillingen bezorgen.

Als je wat ouder wordt leer je wegen en trucjes om confrontaties met het gevreesde product te vermijden. Maar kaas is een geniepig onderkruipsel: het verstopt zich vaak in producten waar je het niet verwacht. Als gruwelijke dressing op een schijnbaar heerlijke salade. In bedrieglijke aardappelschotels. Als onzichtbaar poeder op aantrekkelijk ogende zoutjes. Ik zette eens bij een buffet hongerig mijn tanden in een loempia. De lekkernij ontpopte zich juichend als cheeseburger. Ik heb uren doorgebracht in het toilet van het betreffende restaurant om die smaak weer weg te spoelen.

Ik ben consequent. Geen kaas. Gewoon niet. In geen enkele variant. Een fotograaf die olijk “Cheese!” roept hoeft bij mij niet te rekenen op een glimlach.
“Kaas” van Willem Elsschot is vast een prachtig boek, maar ik kom niet voorbij die titel. “Echte mannen eten geen kaas” is daarentegen een titel die me wel aanspreekt. De inhoud van het boek weer minder…

Okay, één uitzondering. Pindakaas eet ik dagelijks, en graag.
Maar kaas is vies. Echt.

Advertenties